| . . |
WEGWIJZER: Beginpagina Doel Activiteiten Ligging Ligplaatsen Standplaatsen Te koop Te huur prijzen Ons adres Belt Schutsloot
|
B.S.
1904, B.S.
1950, Jeugd herinneringen uit B.S.,
Winterbeeld in B.S.,
Opa,
Horeca in B.S., Watersportbedrijven
in B.S, Andere campings in B.S.,
Andere havens in B.S,
Wat
is er te huur in B.S.
De Otter.Hierbij een schets uit het verleden van Belt Schutsloot . Ik kan niet alleen stil blijven staan bij de sociale ontwikkeling van de streek, maar ook maatschappelijk leven, zo zich dat hier afspeelde, de denkwijze en de verhoudingen onderling, moet ik even op in gaan, anders zult u het denken van hen waar u af en toe, mee in aanraking komt, nimmer kunnen begrijpen. Ik ga dan zo in gedachten, ongeveer 100 a 125 jaar terug. Stelt u dan Belt Schutsloot voor als een streek, waar de huizen 40% dunner stonden dan nu. (die 40% is er later bijgekomen). Ten noorden begrenst door de Belter wiede ten oosten begrenst door rietlanden, evenzo ten zuiden, en ten westen een uitgestrekt moeras en rietland met trekgaten en akkers. In deze moerassen trok men in 't voorjaar het laagveen, en sneed men 's winters riet, en viste men 's zomers. Ook het scheren (Krabbescheer) trekken vormde in de herfst een bron van inkomsten. De riet en moerasvelden wemelden van waterwild en niet te vergeten de visotter, die in de winter ook als pelsdier een bron van inkomsten was. Een verbinding met de buitenwereld was er niet. Couranten werden er onder de arbeiders niet gelezen, want daar had men geen geld voor. Radio kende men helemaal niet natuurlijk. Ook geen christelijk onderwijs. Men ging samen naar een kerk, die bestond uit een houten gebouw. Levenseisen had men niet, als alleen een punter werd als een der eerste levensbehoeften aangemerkt. U staat mij zeker toe dat ik hier en daar een klein beetje fantasie gebruik, al zijn de feiten getrouw. Het gemeenschapsleven was toen echt bij nood en dood, en dat is gebleven tot op de dag van nu. Welnu dan, toen Harm met Femme trouwde, hadden ze een kachel, drie stoelen en een bed. Verder wat er zo voor uiterste eerste levensbehoeften nodig was. Ze konden zich redden en ze hadden elkaar. 'T zal op een stormachtige herfstavond zijn geweest, toen Peter geboren moest worden. Harm en zijn buurman Roelof, moesten naar Giethoorn om de vroedvrouw. Na een tocht over de Belterwiede, die behoorlijk onstuimig is, bereikten ze de Blauwe Hand. Een uitspanning, waar eerst een borrel werd gekocht. Toen lopend naar Giethoorn. Maar Peter was reeds bij de aanvang een kranige baas en was reeds op de grote wereld gekomen zonder hulp van vroedvrouw of dokter. En dat vond de vroedvrouw ook. Peter was later toen hij ouder werd hier niet weinig trots op en liet zich inderdaad, dan ook als zodanig kennen. Na enkele jaren kwam Peter reeds tot de ontdekking dat hun huis dwars langs het water stond, en bijna aan alle kanten begrenst werd door riet en biezepollen en daarachter het zuideindiger wiede. Peter speelde wat op het kleine plekje, wat de natuur beliefde droog te houden, want een gemaal (bij Blokzijl) dat het water op peil hield, kende men toen niet. Op een mistige najaarsdag, hoorde peter een vervaarlijk gekrijs in een aan hun erfje grenzende rietpollen. Peter werd bang, en zocht zijn toevlucht onder de tafel. Hier hoorde hij het gesprek, dat van Harm en Femme, en vond er voor het eerst wat in zijn denken plaats, wat wij zouden noemen een vraagstuk. Harm had de punter aan de wal gelegd, en dronk bij Femme een kopje chigorie. T was een vermoeiende dag geweest, in de scheren. (Kunstmest was er toen natuurlijk niet, en dan trok men bij de herfst scheren. Dan kwamen er schepen, toen pramen genoemd, die deze scheren, een waterplant, vervoerden naar Hoogeveen welke dienst deed als bemesting en zeer gewaardeerd was, niet alleen als inkomsten van de arbeiders maar ook om zijn bemestingswaarde. Zo'n praam trok men met een ploeg van 7 a 8 man in twee dagen vol. In wiens water men deze scheren trok, werd niet naar gekeken. Men trok ze zonder dat iemand hier op of aanmerking over maakte. Dit werd beschouwd als een recht van de mindere man. Die tweede dag was zwaar geweest voor Harm. Met ogen vol zorg keek hij naar Femme. De scheren waren bijna op, maar ze hadden de praam toch nog vol gekregen. Femme keek tersluiks naar het centen kommetje van de schoorsteen mantel. Hierin had ze enig geld opgespaard voor de winter. O die winter. Sneeuw en ijs. Geen inkomsten. Over deze dingen spraken Harm en Femme, terwijl Peter onder de tafel zat. Harm zou geen otterjager geweest zijn, als hij hier over niet had gesproken met het oog op de naderende winter. Deze jacht wilde nog wel eens een buitenkansje opleveren. Toen Peter het woord Otter hoorde, flitste er iets in hem, met 't gevolg dat hij onder de tafel wegschoot. Va, va, ik heb vandaag zoo,n geschreeuw gehoord. Wat, Jonge, zei Harm. Eerlijk waar va. Waar dan jonge zegt Harm glimlachend. Peter wijst in de richting vanwaar hij het geluid heeft waargenomen. 'T zou niet onmogelijk zijn zegt Harm tegen Femme dat daar een nest met jonge otters zat. Terwijl Peter naar bed wordt gebracht, stapt Harm in de punter op weg naar buurman Roelof. Men moest toen naar zijn buurman met de punter, want een voetpad kende men toen nog niet en brugjes over de sloten natuurlijk helemaal niet. De natuurlijke begrenzing was het water. Harm vertelt z'n buurman wat Peter hem heeft verteld. Samen worden ze het er over eens dat het best een nest met 6 Otters kan zijn. De andere dag word poolshoogte genomen. Inderdaad treft men een nest met jonge Otters waarvan er een met moeite word gevangen. Dit jonge dier word door buurman Roelof meegenomen en groot gebracht. Peter ging af en toe eens kijken. Het dier lag bij dag in zijn mandje achter de kachel en was zo tam geworden als een hond. 'S avonds werd hij naar buiten gelaten, en ging op zijn eentje in de riet en biezepollen zijn kostje opscharrelen. Smorgens keerde het dier terug, kroop door het kattegat naar binnen, en als Roelof de deur open deed schoot het naar binnen en nam z'n plaatsje achter de kachel weer in. Later is het dier uitgebleven, misschien was er liefde of anderszins in 't spel, maar hij was niet meer teruggekomen. Peter weet zich dat nog goed te herinneren. Met het vroeg invallen van de winter kwam ook de armoede het huisje van Harm en Femme binnen. Aan het allernodigste hadden ze gebrek in het inmiddels al groter wordende gezin. Wanneer de winter inviel en het vroor twee nachten sterk, zodat de meren en kolken konden houden, ging men op Otterjacht. Het liefst had men, dat het de eerste nacht bij windstil weer, sterk vroor. Dan kwamen er geen wakken. Dan kon men de Otters vangen op het droge, zo men dat noemde. Bij een streng invallende winter trokken deze dieren weg naar open water. Vermoedelijk de toenmalige Zuiderzee. Met de(....) muts op en de vetlaarzen aan de benen kun je ze dan voor dag en dauw er reeds op zien trekken, met hun speciaal hiervoor afgerichte honden. Vaak werden dan 1 of 2 van deze dieren gevangen. Men mat ze bij de steensjes (Tegels) achter de kachel. Naar hun lengte brachten ze hun waarde op. Zonder twijfel heeft de vellenkoopman van die dagen, meer kunnen verdienen, dan hun collega's van thans. De Otterjagers kwamen toch nergens, en iemand die goed van de tongriem gesneden was en bovendien van vreemd kwam, maakte al gauw gebruik van de armoede. Met het komen van de kunstmest werden de scheren waardeloos. Hier ging meteen een stuk vrijheid ten onder. De trekgaten groeiden dicht en het jachtgebied van de visotter werd te klein. De Otterjagers verdwenen en ook de Otters. Het dier komt hier thans nog zeer sporadisch voor. Voor het scheren trekken kwam bij de herfst het landmaken in de plaats. Peter was toen reeds een volwassen man geworden. Voor f0,90 per dag maakten ze land. Dus f5,40 per week. Cornelis Sieben en Arie Klaver waren toender tijd de mannen die alles beheersten. Men oefende macht uit. Niemand durfde iets te zeggen. Zondags kreeg men een plakje Amerikaans spek, zo men dat noemde. Door de week niks. Peter kon zich herinneren, dat ze bij hun thuis een big kochtten toen deze dieren een jaar zeer goedkoop waren. f18.00 gaven ze voor een big van circa 100 pond. De hammen werden er dan, na de slacht van verkocht. En het spek bewaarde men dan tot de zomer, daar at men 's winters niet van. Peter was 27 jaar toen hij voor 't eerst klomplaarzen kon kopen. Men sneed 's winters riet voor f0,50 a f0,60 per vim. Verkoopprijs in die dagen f1,75. Voorjaars was er de veenderij. f0,85 per korte roe. 1300 per roe. Verkoopprijs per duizend f3,75. De verveners van die dagen waren tevens winkeliers, tevens riethandelaren enz. 's winters in 't riet konden ze niet zoveel verdienen als ze opaten. Men zat steeds met handen en voeten gebonden, aan hen waar men voor werkte. Naar elders trok een enkeling. Maar de meesten bleven waar hun vaders en grootouders waren geweest en hadden geleefd. Allengs kwam er een pad langs Belt Schutsloot. Brugjes over de sloten. Dit was om 1900. Als men toen rond ging om het akkoord voor 't rietsnijden kon men lopen. Men vond dit toen een zeer grootte verbetering. Men dronk eerst een stevige borrel. De drank speelde toen geen kleine rol. Met de Harmonie voorop, trok men de rietbazen bijlangs met angst voor de gevolgen als men weigerde, kreeg men er vaak een dubbeltje bij. Allengs werd het een gulden per vim. Voor sommige werkgevers gaf men een extra stukje muziek en zong men extra hard. Dit waren zij die wel eens zeiden dat er nog wel wat (Frieske) aardappels waren en knolrapen. Eens gooide men bij z'oon rietbaas met knolrapen de ruiten in. Dan had men ook niet het hart om hiervan de politie in kennis te stellen, uit vrees voor de gevolgen. Maar men sneed riet en was voor het uiterlijk te vreden. Toch voelde men wel de ergelijke knechting die hen door degene die het geld hadden werden aangedaan. Toen Peter 28 jaar was werd z'n vader ziek en moesten ze 's middags reeds vroeg ophouden te rietsnijden. Drie dagen later was de man dood, zijn moeder weduwe. Voor deze vrouw is ongetwijfeld het leven een vreselijke aaneen schakeling van zorgen geweest. In die tijd werd er in Belt Schutsloot een school gesticht. Dat de buitenwereld hier toen maar zeer langzaam doordrong, moge blijken, dat de afscheiding in de kerk van toen, hier 8 a 9 jaar later zich voltrok, dan in de omliggende gemeenten. Voor de arbeiders werd nog niks gedaan Toch werd van gemeentewege zijn armoede wat erkend, want omstreeks 1924 werd door de gem. f0,25 per dag toeslag toegezegd op het dagloon. Dit was toen door de werkgevers vastgesteld op f1,50. Toen dit bekend werd gingen deze heren als volgt te werk. 'T was herfst. Velen waren reeds weken zonder werk en dus zonder een enkele verdienste. En die nog werk hadden voelden zich bevoorrecht. Een der arbeiders had van een werkgever van die dagen een achterlijk bigje gekregen. De koopprijs werd vastgesteld op f10,-. Getuige die arbeider was dat voor toen voor zeker een koopje. De werkgever kwam enige weken later, om eens te informeren hoe de big het maakte. Hij wist dat de betrokken arbeider, al enige weken zonder inkomsten was geweest. Hij vertelde hem toen dat hij en zijn collega's wel land wilde laten maken, maar tegen een dagloon van f1,25 per dag. Deze arbeider had echter de toen kwade moed om te weigeren dit te doen. Het gevolg was dat alle arbeiders twee dagen later werkloos waren. Men kon ze toch weer terug krijgen wanneer men het maar beliefde. In die tijd, 1927-28 moet toen onder wijlen (Teuninga?) hier een afd. van de NCLB opgericht zijn. Toen was voor 't eerst sprake van georganiseerd overleg. Hiervoor werd echter weinig begrip getoond, getuige de vele verhalen. Hier proef je uit dat de bond zogenaamd, meer werd gezien als een machtsmiddel om anderen aan te doen, wat men zelf eigenlijk niet wilde aangedaan zijn. Maar wat wil je?. Men was altijd geknecht en slaaf geweest. Allengs werd de afdeling van de NCLB vertegenwoordigd in de gemeenteraad, door een van haar leden. Het hoeft geen betoog dat hier eerst een grote strijd en zelfoverwinning van de toenmalige arbeider voor nodig was. De hoofbestuurder (Teuninga) is hun hier ongetwijfeld tot steun geweest. De aangesloten arbeiders, en ook zij die hier niet durfden te organiseren, maar de verbetering aan den lijve wel ondervonden, stemden als een man op de kandidaat van de afd. voor de gemeenteraad. Tenslotte went men aan alles, en ook de werkgevers legden zich hierbij neer. Men kwam zover dat het recht erkend werd, om als arbeider zitting te hebben in de gemeenteraad. Oude arbeiders gingen, jonge kwamen evenzo de werkgevers. De enkeling werkgever, die toch voor 100% meetelde en de lakens uitdeelde, thans nog in leven zijnde, bleven vrij eenzaam en leven buiten de eigenlijke gemeenschap. Blijkbaar hebben ze er niet aan kunnen wennen dat het recht van de arbeiders werd erkend. (.......)1954. Waneperveen krijgt een nieuwe Burgemeester. Voor het eerst in de geschiedenis maakt ook de man z'n opwachting in Belt Schutsloot welker bevolking een derde deel van zijn gemeente vertegenwoordigd. In 't verleden sprak bij officiële gelegenheden het hoofd van de school. (....... )1954, werd de nieuwe burgemeester welkom geheten en toegesproken, schrik niet, door een arbeider, lid van de afd. van de NCLB te plaatse. Niemand vind dit iets bijzonders. Hij was het oudste raadslid te plaatse en heeft zich dan ook uitstekend van z'n taak gekweten. Dezelfde Peter als in het begin van mijn schets, geniet thans als 70 jarige een uitkering van het landbouw pensioens fonds. Deze Peter die de leeftijd van de sterken reeds heeft bereikt is nog verwonderd over hetgeen ik zojuist noemde. Maar de jongere arbeiders niet meer, maar evenmin de jongere werkgevers. Peter heeft de strijd plaatselijk meegemaakt en mee beleefd en mee gestreden. Zou de strijd om de erkenning van het recht om mens te zijn en om als mens te leven tot het verleden behoren?. Hier mag u het antwoord op geven.
|