CAMPING/JACHTHAVEN "DE WANEPE"
.
.

WEGWIJZER:
Beginpagina
Doel
Activiteiten
Ligging
Ligplaatsen
Standplaatsen
Te koop
Te huur
prijzen
Ons adres
Belt Schutsloot

 

B.S. 1904   B.S. 1950,        Jeugd herinneringen uit B.S.,      Winterbeeld in B.S.,      Opa,     Horeca in B.S.,     Watersportbedrijven in B.S,   Andere campings in B.S.,       Andere havens in B.S,     Wat is er te huur in B.S.

Jeugd herinneringen zijn geschreven door een autotochtoon inwoner van Belt Schutsloot en beschrijven delen van zijn schooltijd  in de 2e helft van de jaren 20.

                                                    Herinneringen uit mijn schooltijd.

Zo ver mijn herinneringen terug gaan hebben kerk en school, altijd een vrij grote betekenis gehad in de leefgemeenschap Belt-Schutsloot. De school nam denk ik nog een grotere plaats in dan de kerk. Mensen te vinden die de kerk vertegenwoordigden gaf vaak moeilijkheden weet ik. Doch dat gold in veel mindere mate voor de school. Die stond vroeger op een andere plaats in ‘t dorp dan nu. Namelijk op de Vastebelt of zandbelt. Dat blijkt uit de kerkenraad notulen van de hervormde kerk van Wanneperveen uit 1693. In juli van dat jaar is de kerkraad op huisbezoek bij Krijn Boxem. Die woonde op de havezathe. Hij is kwaad op de kerkraad. En zeer verstoord over de oude karspel school op de zandbelt. Hij wil dat het karspel deze weer opbouwde en hielp betalen. Hij sprak ook namens zijn vrouw. De kerkraad vermaande hem en vroeg hem afstand te doen van haat en nijd. De school is niet weer herbouwd op de Vastebelt.
Er is zelfs geen herinnering meer aan de plaats waar die daar ooit heeft gestaan. In mijn kindertijd stond de school meer in het centrum van Belt Schutsloot, zodat de afstand voor iedereen vrijwel gelijk was. Toen ik naar school ging stond die bij de hervormde kerk. Het was een fantasieloos lomp gebouw met heel brede dakgoten. Er waren twee lokalen. Het ene was voor klas 1,2 en 3. Dat hete toen de kleine school. Het andere lokaal was voor de hogere klassen en hete de grote school. Beide lokalen waren gescheiden door een binnen muur. Daar zat een deur in die beide lokalen met elkaar verbond.Verschillende gebeurtenissen uit die schooltijd zijn in mijn herinneringen blijven voortleven.Ik denk wel eens dat die school een vrijheid beperkend iets is geweest. Gelukkig was er leerplicht in mijn tijd. Je moest naar school. Ik zie ze nog zo zitten op de nok van het met pannen gedekte oude schoolgebouw. De kwetterende spreeuwen. Er zat dan iets van het voorjaar in de lucht. Dat was altijd een intens beleven weet ik nog. Op het schoolplein dat was de ruimte tussen de school en de onderwijzers woning stond een perenboom. De sjilpende mussen daarin, ze hadden nesten onder de dakpannen van de school. Vechten dat ze konden! Je wist nooit waarom.  Rssssst. Zonder aanwijsbare oorzaak vlogen ze weg. Wat heb ik vaak naar die mussen zitten kijken vanaf mijn plaats in de school. Onbewust heb ik ze benijd denk ik. Ze waren vrij. Na al die jaren is de perenboom op het schoolplein en de sjilpende mussen daarin, nog een zeer levendig beeld waar ik met heimwee aan terug denk. Als leerling ben ik stellig nooit een vreugde geweest voor degene die mij onderwezen. Integendeel denk ik. De eerste leerkracht die ik mij herinner was een oud iemand. Meester Haspers hete die. Hij kwam uit Kampen. Hij was invaller uit nood. Een tijdelijke kracht hete dat. Er was toen denk ik geen vaste leerkracht te krijgen. Dit was trouwens in veel latere jaren vaak moeilijk. Meester Haspers was bij Jan Loks Anne op de Schutsloot in de kost. In dat huis wonen nu Joop Stam met Hennie.  Jan Loks Anne was de  overgrootmoeder van Hennie. Na al die jaren hoor ik meester Haspers nog zo luidruchtig de neus ophalen. Dan spuugde hij een dikke fluim op de houten vloer en egaliseerde die dan met de schoen. Want de meester droeg schoenen.  Als kinderen liepen we op kousen in school. Ik heb wel eens stiekem gekeken waar zo’n dikke fluim was neer gekomen. Een natte plek met groen achtige draden tussen de naden van de planken van de houten vloer. Vies dat ik dat vond! Maar niemand die daar verder notitie van nam. Ik weet trouwens helemaal niet of andere kinderen zo iets ook opviel. Ik meende dat er de eerste twee jaar van mijn schooltijd die oude meester Haspers was. In mijn derde leerjaar kwam er een juffrouw. Dat hoorde zo. In de kleine school moest er een juffrouw zijn. De meester en de juffrouw hadden de hoogste status op ‘t dorp. Vooral de meester als hoofd van de school. Die stonden heel ver boven de gewone mensen. Als ze dat zelf ook dachten weet ik niet.  Ik denk het niet, maar dat deed aan de verering die de gewone mensen van ‘t dorp voor hun hadden niets af. Dat was eigen aan die tijd. Het waren een soort halfgoden.  En als kind groeide je daar bij op. De juffrouw kwam uit Oldebroek. In de weekends ging ze naar huis.  Zaterdags hadden we daarom nooit school. Ook ‘s maandags ‘s morgens niet. Want dan kon de juffrouw niet op tijd komen. Dit zal de oorzaak geweest zijn dat we op Belt-Schutsloot nooit een vrije Woensdag middag hadden zoals kinderen elders dat wel hadden. Ik weet niet meer wat ik had gedaan. Maar ik moest voor de klas staan met mijn gezicht naar de muur. Meestal was het een hoek waar je moest staan, maar deze keer was het pal achter de juffrouw. Maar ik kon niet zolang met mijn gezicht naar de muur staan en ik keek stiekem achterom.  De juffrouw stond achter de lessenaar. Ik zie nog zo haar ronding in de machester rok. En toen hoorde ik iets wat ik stellig niet had mogen horen.  Ik zag dat de rok een beetje bewoog. Deed dat de juffrouw! Ik was misschien negen jaar en het moet in mijn kinderziel een geweldige indruk hebben gemaakt. Bij de gewone mensen was dat niks bijzonders. Het achterwerk werd soms opgelicht van ' de stoel om de overdruk gelegenheid te geven onder het maken van zeer variabele geluiden zich in de ruimte te verplaatsen. Dat hele gebeuren werd samen gevat in een raadsel.
                  ‘t Was vaderloos,  ‘t Was moeder loos, en zonder vlees geboren
                   Het schreeuwde toen ter wereld kwam en was terstond verloren.
Dat is geloof ik een van de eerste raadsels die ik heb geleerd. 
Zo leerde je de benaming van dergelijke geluiden. Soms was er helemaal geen geluid en liep het met een sisser af. Iemand op de kousen de deur uit zetten hete dat. En dat deed de juffrouw ook die middag.  Een sisser. Maar ik had het toch gehoord en ook een klein beetje gezien. De juffrouw. Die deed dat dus ook. Net als gewone mensen. Maar het was stellig niet bedoeld dat ik dat zou horen. Ik heb denk ik toch iets te hard gelachen. En dat had zij niet mogen horen. Maar kon ik het helpen! Ze griste mij tegen de  muur weg, en in ‘t front voor de klas kreeg ik toch een pak slaag van haar!  Nooit heb ik dat vergeten. En na al die jaren zou ik er ik weet niet wat voor over hebben om te weten wat haar toen bewoog om mij dat Pak slaag te geven. Ik stond toch vlak achter haar!  Daar had ze mij toch zelf neergezet. Kon ik het helpen dat ik toch hoorde wat ik niet mocht horen! In de gesloten en zeer geïsoleerde gemeenschap dat Belt- Schutsloot toen was, ging zoiets natuurlijk van huis tot huis. Alle kinderen hadden het gezien. Maar geen een wist waarom en als je ouders er achter kwamen had je geluk dat die er niet te veel op doorvroegen. Want wat moest je zeggen. Dat de juffrouw er een op kousen buiten de deur had gezet! En dat je dat toch net had gehoord en daarom had moeten lachen. En dat ze je daarom een pak slaag had gegeven! Dat geloofde immers niemand in de grote mensen wereld. En ‘t was toch de zuivere waarheid. Door ervaring wist je dat stil houden, en niks zeggen het beste was. Maar je ging wel door voor heel erg ondeugend. Zo ging dat toen. Maar dat heb ik nooit zo erg gevonden. Toch heb ik jaren later wel eens gedacht, dat het meer of minder ondeugend zijn samen hing met de status die de ouders in de leef gemeenschap ter plaatse toen hadden. Maar mijn ouders hadden helemaal geen status toen. Ze hadden maar 1 geit. Die huisde in een oude en bouwvallige schuur waar het dier een hok had. In de winter had dat dier
de kop soms wel de helft dikker dan normaal. Van de kou. Nu na al die jaren denk ik wel eens, hoe heeft zo’n geit dat overleefd. Sommige hadden wel twee geiten. Als we naar school liepen in ‘t voorjaar dan konden we precies zien wie een “nieuwmelkte” geit had.  De jongen werden dan gewoon opgehangen. Dat deed men met de bladschede van de Egelskop. Die werden in de zomer gedroogd en ook gebruikt om riet te bundelen. Een of twee keer in de week kwam er dan een opkoper. Die kocht dan die jonge opgehangen lammeren. Wat die er mee deed dat weet ik niet. Jan van Oege hete die. Hij kwam van Ampt Vollenhove. 35 centen koste een lam. Opgehangen dan. Sommige mensen konden dat niet doen. Dan leefde zo’n lammetje een paar dage langer. Jan van Oege hield het lammetje dan tussen z’n  knieën, trok het de hals  strak en pakte dan z’n zakmes en sneed het lam de keel door. Je kreeg dan een stuiver minder. Dat dit tot de gewone dingen behoorde die iedereen gewoon vond  is nu, anno 1990, moeilijk te begrijpen. Een geit was een kostbaar bezit. Daar kon je niet om. Dat was toen echt de arbeiders koe. Maar het gaf geen status. Die kwam pas als je koeien had. Ik meende dat er een iemand was op ‘t dorp die tien koeien had. Die had een dubbele status. Want die had eigenlijk ook het hoogste gezag. Die zaten ook in de besturen van kerk en school.  Jaren later heb ik wel eens gedacht dat een en ander mee speelde in de beoordeling van deugd en ondeugd van de opgroeiende generatie.  Niet dat dit mij ooit heeft gestoord of zo. Maar de leefgemeenschap was zeker verdeeld in vier standen.  Daar had de buitenstaander geen weet van. Om dat te onder kennen moest je geboren en getogen zijn in die leefgemeenschap. En daarin zijn opgegroeid. Niet dat over dat verschil werd gesproken. Of dat iets niet goed harmonieerde. Als ieder zijn plaats in de leefgemeenschap maar kende. Bij mijn weten in mijn tijd, is het nooit gebeurd bij voorbeeld dat een jonge wier ouders maar 1 geit hadden omgang had met een meisje wier ouders 4 of 6 koeien hadden. Dat gebeurde normaal niet. De vierde klas heb ik geloof ik twee keer moeten doen. Dat was dan in de grote school. Toen was er een meester. Meester Joustra hete die. Die kwam meen ik uit Blokzijl. Hij was heel bijzonder mager en schriel. Nogal lang-achtig. Hij werd door ons vergeleken met een figuur uit een jongens boek. Willem Wijgerts hete dat. En de figuur daarin was schele Ebben. Hoewel de meester niet scheel keek, was hij voor ons toch de schele Ebben uit dat jongens boek. Schriel en mager. Hij valt nog een keer middendoor zeiden we dan tegen elkaar. Hij was meen ik ook een tijdelijke leerkracht en de woning van de  hoofd-onderwijzer stond toen geloof ik leeg. Die man heeft wel een zeer bijzonder slecht leven gehad bij ons in school. Het houden van orde was bij hem gebaseerd op macht en niet op kunnen. Om de grote kachel stond een scherm. Daar hebben we wat stukken griffel tegenaan gegooid. Dat maakte lekker kabaal  Ik weet niet of hij daar ooit iemand voor heeft kunnen pakken. Soms moest iemand de stukken griffel weer opruimen. Die werden dan de andere dag weer gebruikt. Daar had hij blijkbaar geen erg in. Het schuim stond soms op zijn mond. Dan was het een tijdje mooi stil in de klas. Dan weer een paar stukken griffel tegen het scherm. Jaren later heb ik wel eens gedacht dat dit met recht iemands bloed onder de nagels weg zuigen was. Verschrikkelijk. Wat is die man door ons geplaagd en gepest.Ik weet niet wat ik gedaan had, maar ik moest een briefje mee nemen naar mijn vader. 
De meester zou komen die avond. Ik moest al op tijd naar bed wat ik toen helemaal niet erg vond.  De kruk was uit de bedstee deur en door het gaatje kon ik de hele kamer overzien. Want eten, slapen en wonen gebeurde in  dezelfde ruimte. Daar werd ook in gekookt en zo. Zo was dat toen. Nu anno 1990 ben ik geneigd dat de kamer te noemen, maar zo werd die ruimte niet genoemd. De kamer was een in de wand getimmerde ruimte, meestal tussen twee bedsteden. Daar bewaarde mijn moeder haar kopjes en schoteltjes etc. Dat hete de kamer weet ik nog. Dat was eigenlijk precies hetzelfde als een trappe. Dat was iets heel anders dan wat we daar nu (1990) onder verstaan. Een trappe was een stoepje op de kant bij de sloot. Dat hete de trappe, en naar de zolder ging men via de ladder. Die avond hoor ik nog zo mijn vader zeggen: “lauw maar nao bedde goan want die meister  komp nou toch niet meer.” Nu was die meester in de kost bij bakker Westerbeek. Die was ook voorzanger in de kerk. De verzen die gezongen werden zette hij in. Een orgel of zo was er toen niet. Die bakker was een vrij lange heel dikke man. Zeker wel honderd kilo. De andere morgen kom ik naar school, en daar komt de meester ook aan lopen. We waren heel wat gewend toen maar ik wist niet wat ik zag. Geen gezicht. Hij had een broek aan van die dikke bakker. En prompt priemde mijn vinger in zijn richting. Met drie grote stappen  was hij bij mij. En ik kreeg toch zoveel slaag. Hij sleurde mij de school in, als maar slaande. Later kwam ik er achter waarom hij die avond niet bij mijn ouders was gekomen. Ons huis stond + 20 meter verder achteruit van het pad door ‘t dorp dan b.v. het huis van grote Siem. Dat was de buurman. Als je nu bij grote Siem door de tuin liep, over de erfscheidings sloot sprong was de weg iets korter.‘t Haalde niet zoveel uit natuurlijk. We mochten dat ook niet doen van mij vader. Dat was bijpaad jes zoeken vond hij. Maar ja, soms deden we dat toch. De meester kwam ‘s avonds. In donker. En hij had gedaan wat ons was verboden. Dat was hem trouwens slecht bekomen achteraf gezien. Hij was schuin door de tuin van grote Siem gelopen recht op de verlichte vensters van ons huis aan. De kortste weg moet hij gedacht hebben. Maar daarbij had hij de erfscheidings sloot vergeten. En hij had de kop onder gehad in die oude stinksloot. Dat was de reden  waarom hij die avond niet bij mijn ouders was gekomen. Doch dat wist ik later pas. Mogelijk heeft hij gedacht dat ik dat de volgende morgen al wist. En voelde hij zich dubbel beledigd dat een jong uit zo, n statusloos nest ook nog naar hem durfde wijzen. Maar ‘t was echt de broek van die dikke bakker. Geen gezicht. Ik heb dat nooit vergeten. De meester is nooit bij mijn ouders geweest. Hij was in een keer af geschrokken denk ik. Natuurlijk waren dit gebeurtenissen in ‘t dorp. Daar werd over gesproken. Maar die keer ben ik er best afgekomen. En ‘t was wel een van de weinige keren denk ik dat mijn vader partij voor mij koos. Ik hoor hem nog zo zeggen tegen mijn moeder: “wat dotie meister ook bi-jpaties te zuukn. De kiender verbien wi,jt”. Bij het minste of geringste werd ik later door die meester de school uitgestuurd. Zo ook op een Woensdag middag. Dan was er ook meisjes vereniging die werd gehouden in de consistorie kamer van de hervormde kerk. Achter de school was een vrije ruimte die bij de speelplaats hoorde. Een meter of vier breed denk ik. Dan kwam er een houten schutting die de ruimte afsloot van de tuin van de meester, welke schutting in slechte staat van onderhoud was toen. Ook aan de westkant werd die ruimte door een schutting afgesloten van de ruimte voor de kerk. Als je de klas werd uitgestuurd stond je daar absoluut vrij. Voor welke nieuwsgierige blik dan ook. Alleen via het schoolplein was die ruimte bereikbaar. En die werd ook vaak gebruikt voor dingen waar die niet voor bestemd was. Zo ook die middag. Trip, trip,trip. Er kwam iemand aanlopen.  Door een gat in de schutting was er voor mij een uitwijk mogelijkheid. En loeren door een kier wie er aankwam en wat die wilde.  Het bleek een lid van de meisjes vereniging. Die moest eerst plassen. Daar werd die vrije ruimte ook voor gebruikt. In of bij de kerk waren toen natuurlijk geen toiletten. Ik moet toen een jaar of tien geweest zijn. En als plattelands jonge wist je natuurlijk van veel dingen af.  De afkeurende houding van de meester wanneer we stonden te kijken als er in een landje vlak bij de school een koe bij de stier werd gebracht, begrepen we niet. Bij dergelijke beelden groeiden we op. Thuis vertelden we dan wie er met een koe bij de bolle was geweest. Grote mensen dachten daarbij heel anders dan kinderen heb ik later begrepen. Maar voor ons behoorde zoiets tot de dingen van alle dag.
En natuurlijk wisten we wel dat er verschil was tussen een jonge en een meisje. Maar hoe dat was en waarin dat verschil eigenlijk bestond wisten  we niet. Ik heb daar tenminste geen herinnering aan. Maar die middag kwam ik er achter. Nou, nou, nou. Het meisje had er natuurlijk geen erg in dat er iemand, nou ja iemand, naar haar stond te kijken door een spleet in de schutting.  Op haar hurken ging ze recht tegen over mij zitten.Ik keek regelrecht in het verschil. Ik zag alles gebeuren. Ik weet niet welke indruk dat beeld op mij heeft gemaakt. Zelfs niet of het wel indruk maakte. Ik ben gewoon met de jongens naar huis gelopen die middag. Ik weet alleen nog dat mijn moeder die avond vroeg; “wat binie toch stille. Eij weer wat uut aalt altemit?”  Ik kan mij niet herinneren als kind ooit gekocht speelgoed gehad te hebben Ik weet trouwens niet eens of dat er wel was. Op Belt-Schutsloot waren daar geen winkels van natuurlijk. En een andere wereld bestond toen voor ons niet. In het Noorden was de grote Belter. In het Oosten lag heel ver weg ergens Meppel, in het Westen ‘t laand  Veno en in het Zuiden wist je dat daar Zwartsluis lag. Dat was het dichtste bij. Daarvan kon je de kerktorens zien.' Onze wereld van toen was uitermate beperkt. Niet dat die wereld niet goed zou zijn. Integendeel. De wereld rondom, daar moest je voor  oppassen. Daar werd je ook voor gewaarschuwd. Er was maar een goede wereld. En dat was die van Belt-Schutsloot. In de zomer als ‘t  warm was plukten we het pek van de palen die bij de bruggen stonden. Daar maakten we figuren van. De vruchten van de kalmoes en de gele lis gebruikten we om koeien van te maken. Vier afgebrande lucifers houtjes voor de poten en een voor de staart. Wat knikkers soms en een houten hoepel. Dat was door dag en tijd ons speelgoed. Zwerven deden we veel. Het veld had voor ons geen geheimen. Geen nest van welke vogel ook was veilig voor ons. De broed-tijd was eigenlijk de beste tijd voor ons. Dan was er wat te halen in ‘t veld. Er zijn wat eieren gezocht toen. De natuur werd gewoon geëxploiteerd. Daar was het voor. Elk ei van welke vogel ook werd meegenomen. Of dit nou van een roerdomp, een uil, een kiekendief, een meerkoet of een eend was maakte niets uit. Een ei was een ei. Het een werd gebakken, het andere gekookt. Dat lag weer aan de smaak van iemand. Soms waren de eieren al bebroed. Maar dat mocht niet hinderen. Een ei met bloed er in door ‘t broeden werd gebakken. Ik zie nog zo  dat mijn vader met een vork het duidelijk herkenbare jonge embryo uit het ei verwijderde. Het restant ging zo de pan in. Het smaakte best weet ik nog. Alleen het wit was dan wat hard. Maar dat was alles. We hebben er nooit  geen ongemak van gehad bij mijn weten. Het is natuurlijk wel zo dat ik nu-anno 1990-kan griezelen als ik er aan denk. Maar zoveel dingen waren toen gewoon, die nu niet meer denkbaar zijn. Ook in de buurt was er weinig wat aan onze aandacht ontsnapte. Ik hoorde haar zingen en ik liep de deur binnen. Ze lag op de knieën op de vloer. Ik zie ‘t nog zo. Ze was aan ‘t dweilen. Ze lachte toen ze me zag. “Vunie ‘t un  mooi varsien”  vroeg ze. “Ja” zei ik. Maar ik had niet goed gehoord wat ze zong. “Zaktan nogies een keer zingn” vroeg ze. “Ja” zei ik. En ze zong opnieuw: “ Het is  vandaag weer Zaterdag. Dan komt mijn man weer thuis. Dan krijg ik wat in mijn troelala  en ook wat in mijn buis. “ “Un mooi varsien he” zei ze.  “Mar tis toch gien zoaterdag”  zei ik. “Nou nee” zei ze “mar daorumme konk tat varsien toch wel zingn”. Wat een buis was waar de vrouw van haar man wat in kreeg begreep ik wel. Op een buis zaten tassen en ook binnen zakken. Maar wat een troelala was waar die vrouw over zong begreep ik niet. ‘t Zou ook wel een of andere tas zijn dacht ik, en vergat het voorval.  Jaren later werd ik er weer mee geconfronteerd. Onbegrijpelijk. Ik was toen toch vast wel 24 jaar. En in een flits wist ik toen wat die vrouw had bedoeld toen ze zong over de troelala. Messcherp projecteerde mijn geest die dweilende vrouw. Ik hoorde haar weer zingen. Hoe had ik zo onnozel kunnen zijn. Het resulteerde in een onbedaarlijk lachen. Ik kon bijna niet meer ophouden. Er was geen spier in mijn lichaam die geen pijn deed. Zo werd ik op volwassen leeftijd geconfronteerd met mijn kinderlijk denken. Een oneindige onnozelheid. Golven sloegen over mij heen.  Dat ik gedacht had dat een troelala waarover die vrouw zong een tas zou zijn.  Ik moet denk ik 12 of 13 jaar zijn geweest toen het zanddek door de grote Belter werd gespoten. Dat werd in 1930 dan het bekende fietspad waar men vanaf Zwartsluis via Belt-Schutsloot binnen door naar Giethoorn kon komen. De mensen die daar toen aan werkten lagen in woonboten op het Oosteinde van de Schutsloot. En een daarvan had een radio. Die had op Belt-Schutsloot niemand. Dat was dus heel  erg bijzonder. Een enorme sensatie eigenlijk. De hele bevolking liep ‘s avonds uit naar het Oosteinde. Zelfs van de havezathe. Ik weet nog dat ik ook een keer stiekem was, mee gelopen. Een vrij grote groep mensen had zich verzameld bij die ene woonboot. Het raam was open, en op een tafel stond een hele grote hoorn.
Je kon er je hoofd wel insteken. Het was doodstil. Uit die grote hoorn kwam een stem. En niet wat die stem zei was ter beoordeling. Maar of het ook kon, dat ergens ver weg iemand stond te praten, wat zonder dat je dat kon zien door de lucht kwam en via die grote hoorn in Belt- schutsloot hoorbaar was. Dat was eigenlijk niet mogelijk oordeelde men. En ik hoor Roelof van Ale nog zo zeggen: “geleuft ut mar niet jonges. Ij staot zolf achter dat dink te praoten.” En Roelof hoorde tot de gezag hebbende mensen. Die had 4 koeien en was wel eens in Zwolle geweest. Een wereld reiziger toen. Waarbij dan bedacht moet worden dat plaatsen als Moskou en Berlijn nu, anno 1990 gevoelsmatig veel en veel dichter bij liggen dan toen Zwolle. Zo groot toen gevoelsmatig de wereld was zo klein is die nu. Een kwestie van technische ontwikkeling in ruim 60 jaar.  Het was in die zelfde tijd dat er weer een nieuwe meester was gekomen. Een meester die een behoorlijk gezin had en van Terschelling kwam. Ik heb nooit begrepen wat die man ooit heeft bewogen om met zijn gezin naar het Belt-Schutsloot van toen te komen. Als ik toch denk aan de winter van 1929. En toen was hij er al. Als je water wilde hebben moest je eerst een bijt hakken en die ook onderhouden. De hele winter door. Er golden toen andere normen dan nu
natuurlijk. In de winter verschoonde je je een keer in de 14 dagen. Motto: onder ‘t goed wordt je toch niet smerig. Erg waren ook de droog closets die meestal op de kant van de sloot stonden. En bekend gebleven onder de naam ‘t huusien. 0,o,o dat was wat. Alle hoopjes op elkaar deed al snel piramide vorming ontstaan. Dan stak die in de wolken en moest onderste boven. Al naar gelang de winter duurde herhaalde zich een en ander. In de herfst begon die ellende al weet ik nog. Als je dan in donker naar ‘t huusien moest zag je daar erg tegen op. Dan gaf je eerst een trap tegen het houten geval. Meestal ploempten er dan wel een paar ratten in de sloot. Die waren op zoek geweest naar een paar haastig ingeslikte en onverteerde bruine bonen. Dit zijn maar een paar dingen uit die tijd. Als ‘t winter werd wilden die vieze beesten naar binnen.  Dat lukte meestal ook wel in die oude huizen. Halve nachten lag je soms wakker om zo’n rat. Ik weet nog dat mijn vader een knip zette onder de tafel. Een stukje spek als lokaas. Wat we zelf  bijna nooit kregen. Ratten waren ook slim. Maar die keer had het beest zich toch vergist. Ik hoorde mijn vader van bed springen. Met de tang sloeg hij de rat dood die met zijn ene poot in de knip zat. Schreeuwen dat dat beest deed. Maar ‘t was een grote overwinning weet ik nog.
En een zeer bijzondere opluchting. De rat was dood. Wat een geluk.  Als ik nu al die dingen overdenk, kan ik echt griezelen. En niet begrijpen hoe mensen onder die omstandigheden konden leven. Wat moet de generatie waar wij uit werden geboren weinig levens vreugde hebben gekend. In en in droevig denk ik weleens. En mensen die spreken van die goede oude tijd groeiden zeker niet op op in Belt-Schutsloot. En naar zo’n wereld kwam Willem Dijkstra. Naast hoofd van de school was hij ook godsdienst onderwijzer. Hij preekte soms ook. Hij stond in hoog aanzien bij de mensen. Ook met ons als jongens kon hij goed opschieten. En de laatste van mijn schooljaren waren zeker de beste. Willem Dijkstra speelde met ons. Hij leerde ons veel goede dingen, ook buiten de schooltijd om. Bij hem leerden we met twee woorden spreken. Ja meester en nee meester. Iets waar ik na mijn schooltijd veel gemak van heb gehad. En andere van mijn klas-genoten ook weet ik. Niet dat die laatste schooljaren altijd vlekkeloos verliepen. Of dat alles altijd koek en ei was. Dat natuurlijk niet.  Ook meester Dijkstra kon geweldig kwaad worden. In zijn tijd werd er op ‘t
eind van de gang een pomp geplaatst. Dat vonden de grote mensen natuurlijk een enorme verbetering. Een verbetering die natuurlijk geld koste wat er niet was, en waar voor de grote mensen veel zorgen gehad moeten hebben natuurlijk. Maar als kinderen heb je daar geen erg in. Wij dronken bij de Schutsloot uit de klomp. Dat waren we gewend. We spoelden het eendekroos aan de kant, spoelden de klomp eenmaal om, schepten opnieuw water en dronken dan. Ik weet niet of iemand daar ooit iets van heeft gekregen. Jaren later waren er mensen die meenden dat we immuun waren voor de dingen die ziekte konden veroorzaken. Maar ik weet zeker dat dit niet zo was. Het water was zuiver. Daar zaten geen ziekte verwekkers in. Zonder dat hij er erg in had was grote Siem het proefkonijn. Hij had uit een stil staande poel gedronken in de kragge.  In de zomer bij warm weer. Maar de andere dag had hij tyfus.  In dat stilstaande water zaten die bacillen wel in. Een pomp in de school was natuurlijk een enorme verbetering. Het was een enorme krachttoer om de bak onder de pomp vol te krijgen zonder de afvoer af te stoppen. Dan moest je geweldig pompen, iets wat de meester al verschillende keren had verboden. Maar iemand moest natuurlijk toch de laatste zijn die dat probeerde. En dat keer was het Stoffel die de kracht toer even zou proberen. En maar rossen aan die pomp. Maar dit keer hoorde dat de meester. Stiekem kwam hij de deur in, en Stoffel kreeg zo’n trap onder zijn achterwerk, dat hij de eerste 4 meter door de lucht vloog, in de gang neerplofte en door de drempel van de andere schooldeur werd gestopt. Anders was hij naar buiten gegaan.
Een natte veeg vanaf de plek waar hij was neer gekomen toonde aan wat er van schrik was gebeurd. Ik weet niet of een van de jongens nadien nog ooit heeft geprobeerd de bak vol te pompen. ‘t Was in een keer afgelopen.  Ik weet niet wat ik had gedaan maar ik moest in ‘t turf hok.  Later kwam Albert ook nog. Samen stapelden we de turf tegen de binnenkant van de deur. Wat ik verwachte gebeurde ook. Maar toch weer op een manier waar ik niet aan had gedacht of had bedoeld.  De turf rolde inderdaad de gang in toen de meester de deur los trok, maar ontzag daarbij niet de tenen van de meester. Het gevolg was natuurlijk een best pak klappen. Bij meester Dijkstra heb ik mijn schooltijd beëindigd. Met veel van mijn klasgenoten spraken we jaren later nog over hem. Het
was als ‘t ware een in dankbaarheid gedenken. De naam van meester Dijkstra is lang in de leefgemeenschap blijven voortleven. Meer dan van alle andere leerkrachten denk ik. Hij wist met ons als jongens om te gaan. Als vele van mijn klas genoten is hij natuurlijk al lang “uit de tijd”. Als je van school was trad je binnen in de grote mensen wereld. Ik kreeg direct een pijp en tabak. En ik weet ook nog het brugje waar ik de pijp en de tabak aan andere een paar jaar jongere jongens liet zien. Wat  keken ze tegen mij op. Ik was van school af en in mijn eigen ogen ook natuurlijk. Maar ‘t bleek een harde leerschool naar de volwassenheid. Van de tijd van voor de oorlog zijn twee kerkdiensten heel scherp in mijn herinnering blijven voortleven. Waarom het een wel in je geheugen blijft opgeslagen, het andere vervaagd en soms totaal wordt uitgewist weet ik niet. Ik denk dat het een kerst avond is geweest. Maar heel zeker weet ik dat niet meer. Er was wel ijs en er lag sneeuw. Dat weet ik nog wel zeker. De lucht was grijs en het leek of er nog meer sneeuw zou komen. Dat betekende dat er dan niet meer in de kragge gewerkt kon worden. Er kon dan geen riet meer worden gesneden. Dat stond dan weer gelijk met eigenlijk ook niet meer te kunnen eten. Iets wat nu, anno 1990 vreemd lijkt. Maar zo was dat toen. Voldoende hebben te eten was toen een een gunst. Zeker geen recht. En als je niet werkte had je eigenlijk ook geen recht op eten. Onder de sneeuw zitten in de winter was iets heel ergs toen. We stonden bij de school. Als opgroeiende jeugd. Dat was zo de gewoonte toen. Je ging wat eerder in de richting kerk dan de ouderen. Ook die avond. Ik zie nog zo de lantaarns als dwaallichten komen van de Vaste Belt, de Schutsloot en de buiten Belt.
Ik hoor nog de klompen,  knoerp  knoerp, knoerp, in de sneeuw.  Mannen gingen naar de kerk op klompen. Daarvan werden de ballen afgetrapt tegen de beton drempel voor de kerk deur. Schimmen van mannen tegen de heg die eerst nog moesten plassen voor de dienst. Vrouwen op hun hurken in de sneeuw.  Olde Wieger was koster. Ik zie nog zo de gloed van de kachel tegen zijn ietwat achterover gehouden gezicht van wege de hitte, toen hij een kit eier kolen in de kachel liet glijden. De kerk was stamp en stamp vol. Er hing een geladen spanning. Iets wat ik nooit zal vergeten. Een spanning die ik daarvoor, nog daarna nooit meer zo heb gevoeld als toen in de kerk. Of dat kwam door de dreiging in de natuur weet ik niet, maar de spanning was voelbaar. De kerkenraad kwam binnen met de dominee. Wie dat was weet ik niet meer. Heel devoot zie ik hem nog staan onder aan het trapje naar de preekstoel. De ene hand boven de ogen en de andere op de leuning van het kleine trapje. De doodse  stilte in de kerk. Alle ogen op een punt gericht. Dan zingen. Er is uit ‘s werelds duister wolken, een licht der lichten opgegaan, (dat is nu gezang 26 toen 229). Door dat vers meen ik dat het een kerstavond was, hoewel het toen niet de gewoonte was een dienst te houden. Maar dat vers werd toen altijd
gezongen op kerstavond. Vandaar. Het was of de spanning zich ontlade in het zingen van dat vers. Ik had het gevoel dat de muren bogen. Zo’n volume. Ongelooflijk. Hoe ik ook in mijn herinnering heb gezocht, verder weet ik van die hele kerkdienst niets maar dan ook niets meer af.
Ik schreef al dat het een harde leerschool was naar de volwassenheid.  Zestien uur per dag werken was meer regel dan uitzondering. Zes dagen lang. Het heerlijke gevoel van Zondag. Niets te moeten. Alleen naar de kerk. ‘s Middags om half  twee. Hoe konden mensen dat elkaar aandoen heb ik later wel eens gedacht. ‘s Zondags was de enigste dag dat je warm at op de middag. De dood vermoeide lichamen die eigenlijk nooit geen tijd hadden om uit te rusten. Doch de natuur eist zijn rechten. Ook die zondagmiddag.  Er waren heel weinig mannen-hoofden die rechtop zaten. Sommige sliepen hoorbaar. Dat kon eigenlijk niet anders. Maar dat was natuurlijk geen gezicht vanaf de preekstoel. En ook hoogst ondankbaar natuurlijk als je als predikant een boodschap voor de mensen meent te hebben. Hij was niet getrouwd. Een klein-achtig, zwartharig mannetje. Een Fries. Nogal pinnig. Hij was wel wat gewend natuurlijk. Maar die middag zei hij wat van de slapenden. Wat, weet ik niet meer. Maar Jan die aan de andere kant van het gangpad in de bank zat moest er stiekem om lachen. Maar de dominee had dat toch gezien. En die had op dat moment weinig gevoel voor humor natuurlijk. Hij riep dan ook van de preekstoel; koster gooi die man de deur uit. Maar de koster liep niet zo hard. Jan was een zoon van zijn broer. Vandaar. Maar Jan koos de wijste partij. Hij schoof de bank uit en verdween door de deur naar buiten. Maar de broer van Jan zat in die zelfde bank. En die was toch kwaad.  Hij stond op en schoof  heel langzaam naar het gangpad. Hij keek als maar naar de preekstoel. Ik zie het nog zo gebeuren.  Hij stapte in het gangpad, wierp een laatste vernietigende blik op de dominee en riep: “preekt dan nou lelijke bliksem”. Toen verdween ook hij door de deur naar buiten. Dat waren een paar van mijn herinneringen uit het opgroeien naar de volwassenheid. Zowel Jan als zijn broer, de dominee en vele anderen van die Zondag middag gingen ons voor naar het gebied waar een dag is als duizend jaar en duizend jaar als een dag. Ik ben nog “in de tijd”. Ik heb de herinnering aan die Zondag middag kerkdienst waarin zowel Jan als zijn broer de hoofdrol speelden in een paar zinnen vastgelegd. Die het leest moet zelf maar zien wat hij of zij er van denkt.  Ik merk daarbij alleen op dat er een wereld van verschil ligt tussen toen en nu, Anno 1990. 
En heel speciaal voor Belt-Schutsloot