WEGWIJZER:
Beginpagina
Doel
Activiteiten
Ligging
Ligplaatsen
Standplaatsen
Te
koop
Te
huur
prijzen
Ons
adres
Belt Schutsloot
|
B.S.
1904, B.S.
1950, Jeugd herinneringen uit B.S.,
Winterbeeld in B.S.,
Opa,
Horeca in B.S., Watersportbedrijven
in B.S, Andere campings in B.S.,
Andere havens in B.S,
Wat
is er te huur in B.S.
Jeugd
herinneringen zijn geschreven door een autotochtoon inwoner
van Belt Schutsloot en beschrijven delen van zijn schooltijd
in de 2e helft van de jaren 20.
Herinneringen uit mijn schooltijd.
Zo ver mijn
herinneringen terug gaan hebben kerk en school, altijd een vrij
grote betekenis gehad in de leefgemeenschap Belt-Schutsloot. De
school nam denk ik nog een grotere plaats in dan de kerk. Mensen
te vinden die de kerk vertegenwoordigden gaf vaak moeilijkheden
weet ik. Doch dat gold in veel mindere mate voor de school. Die
stond vroeger op een andere plaats in ‘t dorp dan nu. Namelijk
op de Vastebelt of zandbelt. Dat blijkt uit de kerkenraad notulen
van de hervormde kerk van Wanneperveen uit 1693. In juli van dat
jaar is de kerkraad op huisbezoek bij Krijn Boxem. Die woonde op
de havezathe. Hij is kwaad op de kerkraad. En zeer verstoord over
de oude karspel school op de zandbelt. Hij wil dat het karspel
deze weer opbouwde en hielp betalen. Hij sprak ook namens zijn
vrouw. De kerkraad vermaande hem en vroeg hem afstand te doen van
haat en nijd. De school is niet weer herbouwd op de Vastebelt.
Er is zelfs
geen herinnering meer aan de plaats waar die daar ooit heeft
gestaan. In mijn kindertijd stond de school meer in het centrum
van Belt Schutsloot, zodat de afstand voor iedereen vrijwel gelijk
was. Toen ik naar school ging stond die bij de hervormde kerk. Het
was een fantasieloos lomp gebouw met heel brede dakgoten. Er waren
twee lokalen. Het ene was voor klas 1,2 en 3. Dat hete toen de
kleine school. Het andere lokaal was voor de hogere klassen en
hete de grote school. Beide lokalen waren gescheiden door een
binnen muur. Daar zat een deur in die beide lokalen met elkaar
verbond.Verschillende gebeurtenissen uit die schooltijd zijn in
mijn herinneringen blijven voortleven.Ik denk wel eens dat die
school een vrijheid beperkend iets is geweest. Gelukkig was er
leerplicht in mijn tijd. Je moest naar school. Ik zie ze nog zo
zitten op de nok van het met pannen gedekte oude schoolgebouw. De
kwetterende spreeuwen. Er zat dan iets van het voorjaar in de
lucht. Dat was altijd een intens beleven weet ik nog. Op het
schoolplein dat was de ruimte tussen de school en de onderwijzers
woning stond een perenboom. De sjilpende mussen daarin, ze hadden
nesten onder de dakpannen van de school. Vechten dat ze konden! Je
wist nooit waarom. Rssssst. Zonder aanwijsbare oorzaak
vlogen ze weg. Wat heb ik vaak naar die mussen zitten kijken vanaf
mijn plaats in de school. Onbewust heb ik ze benijd denk ik. Ze
waren vrij. Na al die jaren is de perenboom op het schoolplein en
de sjilpende mussen daarin, nog een zeer levendig beeld waar ik
met heimwee aan terug denk. Als leerling ben ik stellig nooit een
vreugde geweest voor degene die mij onderwezen. Integendeel denk
ik. De eerste leerkracht die ik mij herinner was een oud iemand.
Meester Haspers hete die. Hij kwam uit Kampen. Hij was invaller
uit nood. Een tijdelijke kracht hete dat. Er was toen denk ik geen
vaste leerkracht te krijgen. Dit was trouwens in veel latere jaren
vaak moeilijk. Meester Haspers was bij Jan Loks Anne op de
Schutsloot in de kost. In dat huis wonen nu Joop Stam met
Hennie. Jan Loks Anne was de overgrootmoeder van
Hennie. Na al die jaren hoor ik meester Haspers nog zo luidruchtig
de neus ophalen. Dan spuugde hij een dikke fluim op de houten
vloer en egaliseerde die dan met de schoen. Want de meester droeg
schoenen. Als kinderen liepen we op kousen in school. Ik heb
wel eens stiekem gekeken waar zo’n dikke fluim was neer gekomen.
Een natte plek met groen achtige draden tussen de naden van de
planken van de houten vloer. Vies dat ik dat vond! Maar niemand
die daar verder notitie van nam. Ik weet trouwens helemaal niet of
andere kinderen zo iets ook opviel. Ik meende dat er de eerste
twee jaar van mijn schooltijd die oude meester Haspers was. In
mijn derde leerjaar kwam er een juffrouw. Dat hoorde zo. In de
kleine school moest er een juffrouw zijn. De meester en de
juffrouw hadden de hoogste status op ‘t dorp. Vooral de meester
als hoofd van de school. Die stonden heel ver boven de gewone
mensen. Als ze dat zelf ook dachten weet ik niet. Ik denk
het niet, maar dat deed aan de verering die de gewone mensen van
‘t dorp voor hun hadden niets af. Dat was eigen aan die tijd.
Het waren een soort halfgoden. En als kind groeide je daar
bij op. De juffrouw kwam uit Oldebroek. In de weekends ging ze
naar huis. Zaterdags hadden we daarom nooit school. Ook ‘s
maandags ‘s morgens niet. Want dan kon de juffrouw niet op tijd
komen. Dit zal de oorzaak geweest zijn dat we op Belt-Schutsloot
nooit een vrije Woensdag middag hadden zoals kinderen elders dat
wel hadden. Ik weet niet meer wat ik had gedaan. Maar ik moest
voor de klas staan met mijn gezicht naar de muur. Meestal was het
een hoek waar je moest staan, maar deze keer was het pal achter de
juffrouw. Maar ik kon niet zolang met mijn gezicht naar de muur
staan en ik keek stiekem achterom. De juffrouw stond achter
de lessenaar. Ik zie nog zo haar ronding in de machester rok. En
toen hoorde ik iets wat ik stellig niet had mogen horen. Ik
zag dat de rok een beetje bewoog. Deed dat de juffrouw! Ik was
misschien negen jaar en het moet in mijn kinderziel een geweldige
indruk hebben gemaakt. Bij de gewone mensen was dat niks
bijzonders. Het achterwerk werd soms opgelicht van ' de stoel om
de overdruk gelegenheid te geven onder het maken van zeer
variabele geluiden zich in de ruimte te verplaatsen. Dat hele
gebeuren werd samen gevat in een raadsel.
‘t Was vaderloos, ‘t Was moeder loos, en zonder vlees
geboren
Het schreeuwde toen ter wereld kwam en was terstond verloren.
Dat is geloof
ik een van de eerste raadsels die ik heb geleerd.
Zo leerde je de
benaming van dergelijke geluiden. Soms was er helemaal geen geluid
en liep het met een sisser af. Iemand op de kousen de deur uit
zetten hete dat. En dat deed de juffrouw ook die middag. Een
sisser. Maar ik had het toch gehoord en ook een klein beetje
gezien. De juffrouw. Die deed dat dus ook. Net als gewone mensen.
Maar het was stellig niet bedoeld dat ik dat zou horen. Ik heb
denk ik toch iets te hard gelachen. En dat had zij niet mogen
horen. Maar kon ik het helpen! Ze griste mij tegen de muur
weg, en in ‘t front voor de klas kreeg ik toch een pak slaag van
haar! Nooit heb ik dat vergeten. En na al die jaren zou ik
er ik weet niet wat voor over hebben om te weten wat haar toen
bewoog om mij dat Pak slaag te geven. Ik stond toch vlak achter
haar! Daar had ze mij toch zelf neergezet. Kon ik het helpen
dat ik toch hoorde wat ik niet mocht horen! In de gesloten en zeer
geïsoleerde gemeenschap dat Belt- Schutsloot toen was, ging
zoiets natuurlijk van huis tot huis. Alle kinderen hadden het
gezien. Maar geen een wist waarom en als je ouders er achter
kwamen had je geluk dat die er niet te veel op doorvroegen. Want
wat moest je zeggen. Dat de juffrouw er een op kousen buiten de
deur had gezet! En dat je dat toch net had gehoord en daarom had
moeten lachen. En dat ze je daarom een pak slaag had gegeven! Dat
geloofde immers niemand in de grote mensen wereld. En ‘t was
toch de zuivere waarheid. Door ervaring wist je dat stil houden,
en niks zeggen het beste was. Maar je ging wel door voor heel erg
ondeugend. Zo ging dat toen. Maar dat heb ik nooit zo erg
gevonden. Toch heb ik jaren later wel eens gedacht, dat het meer
of minder ondeugend zijn samen hing met de status die de ouders in
de leef gemeenschap ter plaatse toen hadden. Maar mijn ouders
hadden helemaal geen status toen. Ze hadden maar 1 geit. Die
huisde in een oude en bouwvallige schuur waar het dier een hok
had. In de winter had dat dier
de kop soms wel
de helft dikker dan normaal. Van de kou. Nu na al die jaren denk
ik wel eens, hoe heeft zo’n geit dat overleefd. Sommige hadden
wel twee geiten. Als we naar school liepen in ‘t voorjaar dan
konden we precies zien wie een “nieuwmelkte” geit had.
De jongen werden dan gewoon opgehangen. Dat deed men met de
bladschede van de Egelskop. Die werden in de zomer gedroogd en ook
gebruikt om riet te bundelen. Een of twee keer in de week kwam er
dan een opkoper. Die kocht dan die jonge opgehangen lammeren. Wat
die er mee deed dat weet ik niet. Jan van Oege hete die. Hij kwam
van Ampt Vollenhove. 35 centen koste een lam. Opgehangen dan.
Sommige mensen konden dat niet doen. Dan leefde zo’n lammetje
een paar dage langer. Jan van Oege hield het lammetje dan tussen z’n
knieën, trok het de hals strak en pakte dan z’n zakmes en
sneed het lam de keel door. Je kreeg dan een stuiver minder. Dat
dit tot de gewone dingen behoorde die iedereen gewoon vond
is nu, anno 1990, moeilijk te begrijpen. Een geit was een kostbaar
bezit. Daar kon je niet om. Dat was toen echt de arbeiders koe.
Maar het gaf geen status. Die kwam pas als je koeien had. Ik
meende dat er een iemand was op ‘t dorp die tien koeien had. Die
had een dubbele status. Want die had eigenlijk ook het hoogste
gezag. Die zaten ook in de besturen van kerk en school.
Jaren later heb ik wel eens gedacht dat een en ander mee speelde
in de beoordeling van deugd en ondeugd van de opgroeiende
generatie. Niet dat dit mij ooit heeft gestoord of zo. Maar
de leefgemeenschap was zeker verdeeld in vier standen. Daar
had de buitenstaander geen weet van. Om dat te onder kennen moest
je geboren en getogen zijn in die leefgemeenschap. En daarin zijn
opgegroeid. Niet dat over dat verschil werd gesproken. Of dat iets
niet goed harmonieerde. Als ieder zijn plaats in de
leefgemeenschap maar kende. Bij mijn weten in mijn tijd, is het
nooit gebeurd bij voorbeeld dat een jonge wier ouders maar 1 geit
hadden omgang had met een meisje wier ouders 4 of 6 koeien hadden.
Dat gebeurde normaal niet. De vierde klas heb ik geloof ik twee
keer moeten doen. Dat was dan in de grote school. Toen was er een
meester. Meester Joustra hete die. Die kwam meen ik uit Blokzijl.
Hij was heel bijzonder mager en schriel. Nogal lang-achtig. Hij
werd door ons vergeleken met een figuur uit een jongens boek.
Willem Wijgerts hete dat. En de figuur daarin was schele Ebben.
Hoewel de meester niet scheel keek, was hij voor ons toch de
schele Ebben uit dat jongens boek. Schriel en mager. Hij valt nog
een keer middendoor zeiden we dan tegen elkaar. Hij was meen ik
ook een tijdelijke leerkracht en de woning van de
hoofd-onderwijzer stond toen geloof ik leeg. Die man heeft wel een
zeer bijzonder slecht leven gehad bij ons in school. Het houden
van orde was bij hem gebaseerd op macht en niet op kunnen. Om de
grote kachel stond een scherm. Daar hebben we wat stukken griffel
tegenaan gegooid. Dat maakte lekker kabaal Ik weet niet of
hij daar ooit iemand voor heeft kunnen pakken. Soms moest iemand
de stukken griffel weer opruimen. Die werden dan de andere dag
weer gebruikt. Daar had hij blijkbaar geen erg in. Het schuim
stond soms op zijn mond. Dan was het een tijdje mooi stil in de
klas. Dan weer een paar stukken griffel tegen het scherm. Jaren
later heb ik wel eens gedacht dat dit met recht iemands bloed
onder de nagels weg zuigen was. Verschrikkelijk. Wat is die man
door ons geplaagd en gepest.Ik weet niet wat ik gedaan had, maar
ik moest een briefje mee nemen naar mijn vader.
De meester zou
komen die avond. Ik moest al op tijd naar bed wat ik toen helemaal
niet erg vond. De kruk was uit de bedstee deur en door het
gaatje kon ik de hele kamer overzien. Want eten, slapen en wonen
gebeurde in dezelfde ruimte. Daar werd ook in gekookt en zo.
Zo was dat toen. Nu anno 1990 ben ik geneigd dat de kamer te
noemen, maar zo werd die ruimte niet genoemd. De kamer was een in
de wand getimmerde ruimte, meestal tussen twee bedsteden. Daar
bewaarde mijn moeder haar kopjes en schoteltjes etc. Dat hete de
kamer weet ik nog. Dat was eigenlijk precies hetzelfde als een
trappe. Dat was iets heel anders dan wat we daar nu (1990) onder
verstaan. Een trappe was een stoepje op de kant bij de sloot. Dat
hete de trappe, en naar de zolder ging men via de ladder. Die
avond hoor ik nog zo mijn vader zeggen: “lauw maar nao bedde
goan want die meister komp nou toch niet meer.” Nu was die
meester in de kost bij bakker Westerbeek. Die was ook voorzanger
in de kerk. De verzen die gezongen werden zette hij in. Een orgel
of zo was er toen niet. Die bakker was een vrij lange heel dikke
man. Zeker wel honderd kilo. De andere morgen kom ik naar school,
en daar komt de meester ook aan lopen. We waren heel wat gewend
toen maar ik wist niet wat ik zag. Geen gezicht. Hij had een broek
aan van die dikke bakker. En prompt priemde mijn vinger in zijn
richting. Met drie grote stappen was hij bij mij. En ik
kreeg toch zoveel slaag. Hij sleurde mij de school in, als maar
slaande. Later kwam ik er achter waarom hij die avond niet bij
mijn ouders was gekomen. Ons huis stond + 20 meter verder
achteruit van het pad door ‘t dorp dan b.v. het huis van grote
Siem. Dat was de buurman. Als je nu bij grote Siem door de tuin
liep, over de erfscheidings sloot sprong was de weg iets korter.‘t
Haalde niet zoveel uit natuurlijk. We mochten dat ook niet doen
van mij vader. Dat was bijpaad jes zoeken vond hij. Maar ja, soms
deden we dat toch. De meester kwam ‘s avonds. In donker. En hij
had gedaan wat ons was verboden. Dat was hem trouwens slecht
bekomen achteraf gezien. Hij was schuin door de tuin van grote
Siem gelopen recht op de verlichte vensters van ons huis aan. De
kortste weg moet hij gedacht hebben. Maar daarbij had hij de
erfscheidings sloot vergeten. En hij had de kop onder gehad in die
oude stinksloot. Dat was de reden waarom hij die avond niet
bij mijn ouders was gekomen. Doch dat wist ik later pas. Mogelijk
heeft hij gedacht dat ik dat de volgende morgen al wist. En voelde
hij zich dubbel beledigd dat een jong uit zo, n statusloos nest
ook nog naar hem durfde wijzen. Maar ‘t was echt de broek van
die dikke bakker. Geen gezicht. Ik heb dat nooit vergeten. De
meester is nooit bij mijn ouders geweest. Hij was in een keer af
geschrokken denk ik. Natuurlijk waren dit gebeurtenissen in ‘t
dorp. Daar werd over gesproken. Maar die keer ben ik er best
afgekomen. En ‘t was wel een van de weinige keren denk ik dat
mijn vader partij voor mij koos. Ik hoor hem nog zo zeggen tegen
mijn moeder: “wat dotie meister ook bi-jpaties te zuukn. De
kiender verbien wi,jt”. Bij het minste of geringste werd ik
later door die meester de school uitgestuurd. Zo ook op een
Woensdag middag. Dan was er ook meisjes vereniging die werd
gehouden in de consistorie kamer van de hervormde kerk. Achter de
school was een vrije ruimte die bij de speelplaats hoorde. Een
meter of vier breed denk ik. Dan kwam er een houten schutting die
de ruimte afsloot van de tuin van de meester, welke schutting in
slechte staat van onderhoud was toen. Ook aan de westkant werd die
ruimte door een schutting afgesloten van de ruimte voor de kerk.
Als je de klas werd uitgestuurd stond je daar absoluut vrij. Voor
welke nieuwsgierige blik dan ook. Alleen via het schoolplein was
die ruimte bereikbaar. En die werd ook vaak gebruikt voor dingen
waar die niet voor bestemd was. Zo ook die middag. Trip,
trip,trip. Er kwam iemand aanlopen. Door een gat in de
schutting was er voor mij een uitwijk mogelijkheid. En loeren door
een kier wie er aankwam en wat die wilde. Het bleek een lid
van de meisjes vereniging. Die moest eerst plassen. Daar werd die
vrije ruimte ook voor gebruikt. In of bij de kerk waren toen
natuurlijk geen toiletten. Ik moet toen een jaar of tien geweest
zijn. En als plattelands jonge wist je natuurlijk van veel dingen
af. De afkeurende houding van de meester wanneer we stonden
te kijken als er in een landje vlak bij de school een koe bij de
stier werd gebracht, begrepen we niet. Bij dergelijke beelden
groeiden we op. Thuis vertelden we dan wie er met een koe bij de
bolle was geweest. Grote mensen dachten daarbij heel anders dan
kinderen heb ik later begrepen. Maar voor ons behoorde zoiets tot
de dingen van alle dag.
En natuurlijk
wisten we wel dat er verschil was tussen een jonge en een meisje.
Maar hoe dat was en waarin dat verschil eigenlijk bestond
wisten we niet. Ik heb daar tenminste geen herinnering aan.
Maar die middag kwam ik er achter. Nou, nou, nou. Het meisje had
er natuurlijk geen erg in dat er iemand, nou ja iemand, naar haar
stond te kijken door een spleet in de schutting. Op haar
hurken ging ze recht tegen over mij zitten.Ik keek regelrecht in
het verschil. Ik zag alles gebeuren. Ik weet niet welke indruk dat
beeld op mij heeft gemaakt. Zelfs niet of het wel indruk maakte.
Ik ben gewoon met de jongens naar huis gelopen die middag. Ik weet
alleen nog dat mijn moeder die avond vroeg; “wat binie toch
stille. Eij weer wat uut aalt altemit?” Ik kan mij niet
herinneren als kind ooit gekocht speelgoed gehad te hebben Ik weet
trouwens niet eens of dat er wel was. Op Belt-Schutsloot waren
daar geen winkels van natuurlijk. En een andere wereld bestond
toen voor ons niet. In het Noorden was de grote Belter. In het
Oosten lag heel ver weg ergens Meppel, in het Westen ‘t
laand Veno en in het Zuiden wist je dat daar Zwartsluis lag.
Dat was het dichtste bij. Daarvan kon je de kerktorens zien.' Onze
wereld van toen was uitermate beperkt. Niet dat die wereld niet
goed zou zijn. Integendeel. De wereld rondom, daar moest je
voor oppassen. Daar werd je ook voor gewaarschuwd. Er was
maar een goede wereld. En dat was die van Belt-Schutsloot. In de
zomer als ‘t warm was plukten we het pek van de palen die
bij de bruggen stonden. Daar maakten we figuren van. De vruchten
van de kalmoes en de gele lis gebruikten we om koeien van te
maken. Vier afgebrande lucifers houtjes voor de poten en een voor
de staart. Wat knikkers soms en een houten hoepel. Dat was door
dag en tijd ons speelgoed. Zwerven deden we veel. Het veld had
voor ons geen geheimen. Geen nest van welke vogel ook was veilig
voor ons. De broed-tijd was eigenlijk de beste tijd voor ons. Dan
was er wat te halen in ‘t veld. Er zijn wat eieren gezocht toen.
De natuur werd gewoon geëxploiteerd. Daar was het voor. Elk ei
van welke vogel ook werd meegenomen. Of dit nou van een roerdomp,
een uil, een kiekendief, een meerkoet of een eend was maakte niets
uit. Een ei was een ei. Het een werd gebakken, het andere gekookt.
Dat lag weer aan de smaak van iemand. Soms waren de eieren al
bebroed. Maar dat mocht niet hinderen. Een ei met bloed er in door
‘t broeden werd gebakken. Ik zie nog zo dat mijn vader met
een vork het duidelijk herkenbare jonge embryo uit het ei
verwijderde. Het restant ging zo de pan in. Het smaakte best weet
ik nog. Alleen het wit was dan wat hard. Maar dat was alles. We
hebben er nooit geen ongemak van gehad bij mijn weten. Het
is natuurlijk wel zo dat ik nu-anno 1990-kan griezelen als ik er
aan denk. Maar zoveel dingen waren toen gewoon, die nu niet meer
denkbaar zijn. Ook in de buurt was er weinig wat aan onze aandacht
ontsnapte. Ik hoorde haar zingen en ik liep de deur binnen. Ze lag
op de knieën op de vloer. Ik zie ‘t nog zo. Ze was aan ‘t
dweilen. Ze lachte toen ze me zag. “Vunie ‘t un mooi
varsien” vroeg ze. “Ja” zei ik. Maar ik had niet goed
gehoord wat ze zong. “Zaktan nogies een keer zingn” vroeg ze.
“Ja” zei ik. En ze zong opnieuw: “ Het is vandaag weer
Zaterdag. Dan komt mijn man weer thuis. Dan krijg ik wat in mijn
troelala en ook wat in mijn buis. “ “Un mooi varsien he”
zei ze. “Mar tis toch gien zoaterdag” zei ik. “Nou
nee” zei ze “mar daorumme konk tat varsien toch wel zingn”.
Wat een buis was waar de vrouw van haar man wat in kreeg begreep
ik wel. Op een buis zaten tassen en ook binnen zakken. Maar wat
een troelala was waar die vrouw over zong begreep ik niet. ‘t
Zou ook wel een of andere tas zijn dacht ik, en vergat het
voorval. Jaren later werd ik er weer mee geconfronteerd.
Onbegrijpelijk. Ik was toen toch vast wel 24 jaar. En in een flits
wist ik toen wat die vrouw had bedoeld toen ze zong over de
troelala. Messcherp projecteerde mijn geest die dweilende vrouw.
Ik hoorde haar weer zingen. Hoe had ik zo onnozel kunnen zijn. Het
resulteerde in een onbedaarlijk lachen. Ik kon bijna niet meer
ophouden. Er was geen spier in mijn lichaam die geen pijn deed. Zo
werd ik op volwassen leeftijd geconfronteerd met mijn kinderlijk
denken. Een oneindige onnozelheid. Golven sloegen over mij
heen. Dat ik gedacht had dat een troelala waarover die vrouw
zong een tas zou zijn. Ik moet denk ik 12 of 13 jaar zijn
geweest toen het zanddek door de grote Belter werd gespoten. Dat
werd in 1930 dan het bekende fietspad waar men vanaf Zwartsluis
via Belt-Schutsloot binnen door naar Giethoorn kon komen. De
mensen die daar toen aan werkten lagen in woonboten op het
Oosteinde van de Schutsloot. En een daarvan had een radio. Die had
op Belt-Schutsloot niemand. Dat was dus heel erg bijzonder.
Een enorme sensatie eigenlijk. De hele bevolking liep ‘s avonds
uit naar het Oosteinde. Zelfs van de havezathe. Ik weet nog dat ik
ook een keer stiekem was, mee gelopen. Een vrij grote groep mensen
had zich verzameld bij die ene woonboot. Het raam was open, en op
een tafel stond een hele grote hoorn.
Je kon er je
hoofd wel insteken. Het was doodstil. Uit die grote hoorn kwam een
stem. En niet wat die stem zei was ter beoordeling. Maar of het
ook kon, dat ergens ver weg iemand stond te praten, wat zonder dat
je dat kon zien door de lucht kwam en via die grote hoorn in Belt-
schutsloot hoorbaar was. Dat was eigenlijk niet mogelijk oordeelde
men. En ik hoor Roelof van Ale nog zo zeggen: “geleuft ut mar
niet jonges. Ij staot zolf achter dat dink te praoten.” En
Roelof hoorde tot de gezag hebbende mensen. Die had 4 koeien en
was wel eens in Zwolle geweest. Een wereld reiziger toen. Waarbij
dan bedacht moet worden dat plaatsen als Moskou en Berlijn nu,
anno 1990 gevoelsmatig veel en veel dichter bij liggen dan toen
Zwolle. Zo groot toen gevoelsmatig de wereld was zo klein is die
nu. Een kwestie van technische ontwikkeling in ruim 60 jaar.
Het was in die zelfde tijd dat er weer een nieuwe meester was
gekomen. Een meester die een behoorlijk gezin had en van
Terschelling kwam. Ik heb nooit begrepen wat die man ooit heeft
bewogen om met zijn gezin naar het Belt-Schutsloot van toen te
komen. Als ik toch denk aan de winter van 1929. En toen was hij er
al. Als je water wilde hebben moest je eerst een bijt hakken en
die ook onderhouden. De hele winter door. Er golden toen andere
normen dan nu
natuurlijk. In
de winter verschoonde je je een keer in de 14 dagen. Motto: onder
‘t goed wordt je toch niet smerig. Erg waren ook de droog
closets die meestal op de kant van de sloot stonden. En bekend
gebleven onder de naam ‘t huusien. 0,o,o dat was wat. Alle
hoopjes op elkaar deed al snel piramide vorming ontstaan. Dan stak
die in de wolken en moest onderste boven. Al naar gelang de winter
duurde herhaalde zich een en ander. In de herfst begon die ellende
al weet ik nog. Als je dan in donker naar ‘t huusien moest zag
je daar erg tegen op. Dan gaf je eerst een trap tegen het houten
geval. Meestal ploempten er dan wel een paar ratten in de sloot.
Die waren op zoek geweest naar een paar haastig ingeslikte en
onverteerde bruine bonen. Dit zijn maar een paar dingen uit die
tijd. Als ‘t winter werd wilden die vieze beesten naar
binnen. Dat lukte meestal ook wel in die oude huizen. Halve
nachten lag je soms wakker om zo’n rat. Ik weet nog dat mijn
vader een knip zette onder de tafel. Een stukje spek als lokaas.
Wat we zelf bijna nooit kregen. Ratten waren ook slim. Maar
die keer had het beest zich toch vergist. Ik hoorde mijn vader van
bed springen. Met de tang sloeg hij de rat dood die met zijn ene
poot in de knip zat. Schreeuwen dat dat beest deed. Maar ‘t was
een grote overwinning weet ik nog.
En een zeer
bijzondere opluchting. De rat was dood. Wat een geluk. Als
ik nu al die dingen overdenk, kan ik echt griezelen. En niet
begrijpen hoe mensen onder die omstandigheden konden leven. Wat
moet de generatie waar wij uit werden geboren weinig levens
vreugde hebben gekend. In en in droevig denk ik weleens. En mensen
die spreken van die goede oude tijd groeiden zeker niet op op in
Belt-Schutsloot. En naar zo’n wereld kwam Willem Dijkstra. Naast
hoofd van de school was hij ook godsdienst onderwijzer. Hij
preekte soms ook. Hij stond in hoog aanzien bij de mensen. Ook met
ons als jongens kon hij goed opschieten. En de laatste van mijn
schooljaren waren zeker de beste. Willem Dijkstra speelde met ons.
Hij leerde ons veel goede dingen, ook buiten de schooltijd om. Bij
hem leerden we met twee woorden spreken. Ja meester en nee
meester. Iets waar ik na mijn schooltijd veel gemak van heb gehad.
En andere van mijn klas-genoten ook weet ik. Niet dat die laatste
schooljaren altijd vlekkeloos verliepen. Of dat alles altijd koek
en ei was. Dat natuurlijk niet. Ook meester Dijkstra kon
geweldig kwaad worden. In zijn tijd werd er op ‘t
eind van de
gang een pomp geplaatst. Dat vonden de grote mensen natuurlijk een
enorme verbetering. Een verbetering die natuurlijk geld koste wat
er niet was, en waar voor de grote mensen veel zorgen gehad moeten
hebben natuurlijk. Maar als kinderen heb je daar geen erg in. Wij
dronken bij de Schutsloot uit de klomp. Dat waren we gewend. We
spoelden het eendekroos aan de kant, spoelden de klomp eenmaal om,
schepten opnieuw water en dronken dan. Ik weet niet of iemand daar
ooit iets van heeft gekregen. Jaren later waren er mensen die
meenden dat we immuun waren voor de dingen die ziekte konden
veroorzaken. Maar ik weet zeker dat dit niet zo was. Het water was
zuiver. Daar zaten geen ziekte verwekkers in. Zonder dat hij er
erg in had was grote Siem het proefkonijn. Hij had uit een stil
staande poel gedronken in de kragge. In de zomer bij warm
weer. Maar de andere dag had hij tyfus. In dat stilstaande
water zaten die bacillen wel in. Een pomp in de school was
natuurlijk een enorme verbetering. Het was een enorme krachttoer
om de bak onder de pomp vol te krijgen zonder de afvoer af te
stoppen. Dan moest je geweldig pompen, iets wat de meester al
verschillende keren had verboden. Maar iemand moest natuurlijk
toch de laatste zijn die dat probeerde. En dat keer was het
Stoffel die de kracht toer even zou proberen. En maar rossen aan
die pomp. Maar dit keer hoorde dat de meester. Stiekem kwam hij de
deur in, en Stoffel kreeg zo’n trap onder zijn achterwerk, dat
hij de eerste 4 meter door de lucht vloog, in de gang neerplofte
en door de drempel van de andere schooldeur werd gestopt. Anders
was hij naar buiten gegaan.
Een natte veeg
vanaf de plek waar hij was neer gekomen toonde aan wat er van
schrik was gebeurd. Ik weet niet of een van de jongens nadien nog
ooit heeft geprobeerd de bak vol te pompen. ‘t Was in een keer
afgelopen. Ik weet niet wat ik had gedaan maar ik moest in
‘t turf hok. Later kwam Albert ook nog. Samen stapelden we
de turf tegen de binnenkant van de deur. Wat ik verwachte gebeurde
ook. Maar toch weer op een manier waar ik niet aan had gedacht of
had bedoeld. De turf rolde inderdaad de gang in toen de
meester de deur los trok, maar ontzag daarbij niet de tenen van de
meester. Het gevolg was natuurlijk een best pak klappen. Bij
meester Dijkstra heb ik mijn schooltijd beëindigd. Met veel van
mijn klasgenoten spraken we jaren later nog over hem. Het
was als ‘t
ware een in dankbaarheid gedenken. De naam van meester Dijkstra is
lang in de leefgemeenschap blijven voortleven. Meer dan van alle
andere leerkrachten denk ik. Hij wist met ons als jongens om te
gaan. Als vele van mijn klas genoten is hij natuurlijk al lang “uit
de tijd”. Als je van school was trad je binnen in de grote
mensen wereld. Ik kreeg direct een pijp en tabak. En ik weet ook
nog het brugje waar ik de pijp en de tabak aan andere een paar
jaar jongere jongens liet zien. Wat keken ze tegen mij op.
Ik was van school af en in mijn eigen ogen ook natuurlijk. Maar
‘t bleek een harde leerschool naar de volwassenheid. Van de tijd
van voor de oorlog zijn twee kerkdiensten heel scherp in mijn
herinnering blijven voortleven. Waarom het een wel in je geheugen
blijft opgeslagen, het andere vervaagd en soms totaal wordt
uitgewist weet ik niet. Ik denk dat het een kerst avond is
geweest. Maar heel zeker weet ik dat niet meer. Er was wel ijs en
er lag sneeuw. Dat weet ik nog wel zeker. De lucht was grijs en
het leek of er nog meer sneeuw zou komen. Dat betekende dat er dan
niet meer in de kragge gewerkt kon worden. Er kon dan geen riet
meer worden gesneden. Dat stond dan weer gelijk met eigenlijk ook
niet meer te kunnen eten. Iets wat nu, anno 1990 vreemd lijkt.
Maar zo was dat toen. Voldoende hebben te eten was toen een een
gunst. Zeker geen recht. En als je niet werkte had je eigenlijk
ook geen recht op eten. Onder de sneeuw zitten in de winter was
iets heel ergs toen. We stonden bij de school. Als opgroeiende
jeugd. Dat was zo de gewoonte toen. Je ging wat eerder in de
richting kerk dan de ouderen. Ook die avond. Ik zie nog zo de
lantaarns als dwaallichten komen van de Vaste Belt, de Schutsloot
en de buiten Belt.
Ik hoor nog de
klompen, knoerp knoerp, knoerp, in de sneeuw.
Mannen gingen naar de kerk op klompen. Daarvan werden de ballen
afgetrapt tegen de beton drempel voor de kerk deur. Schimmen van
mannen tegen de heg die eerst nog moesten plassen voor de dienst.
Vrouwen op hun hurken in de sneeuw. Olde Wieger was koster.
Ik zie nog zo de gloed van de kachel tegen zijn ietwat achterover
gehouden gezicht van wege de hitte, toen hij een kit eier kolen in
de kachel liet glijden. De kerk was stamp en stamp vol. Er hing
een geladen spanning. Iets wat ik nooit zal vergeten. Een spanning
die ik daarvoor, nog daarna nooit meer zo heb gevoeld als toen in
de kerk. Of dat kwam door de dreiging in de natuur weet ik niet,
maar de spanning was voelbaar. De kerkenraad kwam binnen met de
dominee. Wie dat was weet ik niet meer. Heel devoot zie ik hem nog
staan onder aan het trapje naar de preekstoel. De ene hand boven
de ogen en de andere op de leuning van het kleine trapje. De
doodse stilte in de kerk. Alle ogen op een punt gericht. Dan
zingen. Er is uit ‘s werelds duister wolken, een licht der
lichten opgegaan, (dat is nu gezang 26 toen 229). Door dat vers
meen ik dat het een kerstavond was, hoewel het toen niet de
gewoonte was een dienst te houden. Maar dat vers werd toen altijd
gezongen op
kerstavond. Vandaar. Het was of de spanning zich ontlade in het
zingen van dat vers. Ik had het gevoel dat de muren bogen. Zo’n
volume. Ongelooflijk. Hoe ik ook in mijn herinnering heb gezocht,
verder weet ik van die hele kerkdienst niets maar dan ook niets
meer af.
Ik schreef al
dat het een harde leerschool was naar de volwassenheid.
Zestien uur per dag werken was meer regel dan uitzondering. Zes
dagen lang. Het heerlijke gevoel van Zondag. Niets te moeten.
Alleen naar de kerk. ‘s Middags om half twee. Hoe konden
mensen dat elkaar aandoen heb ik later wel eens gedacht. ‘s
Zondags was de enigste dag dat je warm at op de middag. De dood
vermoeide lichamen die eigenlijk nooit geen tijd hadden om uit te
rusten. Doch de natuur eist zijn rechten. Ook die
zondagmiddag. Er waren heel weinig mannen-hoofden die
rechtop zaten. Sommige sliepen hoorbaar. Dat kon eigenlijk niet
anders. Maar dat was natuurlijk geen gezicht vanaf de preekstoel.
En ook hoogst ondankbaar natuurlijk als je als predikant een
boodschap voor de mensen meent te hebben. Hij was niet getrouwd.
Een klein-achtig, zwartharig mannetje. Een Fries. Nogal pinnig.
Hij was wel wat gewend natuurlijk. Maar die middag zei hij wat van
de slapenden. Wat, weet ik niet meer. Maar Jan die aan de andere
kant van het gangpad in de bank zat moest er stiekem om lachen.
Maar de dominee had dat toch gezien. En die had op dat moment
weinig gevoel voor humor natuurlijk. Hij riep dan ook van de
preekstoel; koster gooi die man de deur uit. Maar de koster liep
niet zo hard. Jan was een zoon van zijn broer. Vandaar. Maar Jan
koos de wijste partij. Hij schoof de bank uit en verdween door de
deur naar buiten. Maar de broer van Jan zat in die zelfde bank. En
die was toch kwaad. Hij stond op en schoof heel
langzaam naar het gangpad. Hij keek als maar naar de preekstoel.
Ik zie het nog zo gebeuren. Hij stapte in het gangpad, wierp
een laatste vernietigende blik op de dominee en riep: “preekt
dan nou lelijke bliksem”. Toen verdween ook hij door de deur
naar buiten. Dat waren een paar van mijn herinneringen uit het
opgroeien naar de volwassenheid. Zowel Jan als zijn broer, de
dominee en vele anderen van die Zondag middag gingen ons voor naar
het gebied waar een dag is als duizend jaar en duizend jaar als
een dag. Ik ben nog “in de tijd”. Ik heb de herinnering aan
die Zondag middag kerkdienst waarin zowel Jan als zijn broer de
hoofdrol speelden in een paar zinnen vastgelegd. Die het leest
moet zelf maar zien wat hij of zij er van denkt. Ik merk
daarbij alleen op dat er een wereld van verschil ligt tussen toen
en nu, Anno 1990.
En heel
speciaal voor Belt-Schutsloot
|